Afsluitingen op en rond de perceelsgrens

Een draadafsluiting, een tuinmuur of een haag lijkt een detail, tot blijkt dat ze net over de grens van de buur staat. Waar u een afsluiting mag plaatsen, op welke afstand een haag moet blijven en wanneer een afsluiting "gemeen" wordt en dus van beide buren is, wordt geregeld door het burenrecht. Die regels stonden lange tijd in het Veldwetboek, maar zitten sinds 1 september 2021 in boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek. Voor beplantingen van vóór die datum blijven de oude bepalingen wel nog van toepassing.

Op deze pagina zetten we de geldende regels op een rij: het recht om af te sluiten tot aan de grens, de afstandsregels voor hagen, bomen en struiken, en het vermoeden van mandeligheid bij afsluitingen op of over de perceelsgrens.

Afsluitingen en hagen op de perceelsgrens

Een tuinmuur, een draadafsluiting of een haag lijkt een detail, tot blijkt dat ze net over de grens van de buur staat. Waar u mag afsluiten, op welke afstand beplantingen moeten blijven en wanneer een afsluiting gemeenschappelijk eigendom wordt, is geregeld in het burenrecht. Die regels stonden lange tijd in het Veldwetboek, maar zijn sinds 1 september 2021 opgenomen in boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek (artikel 31 van de wet van 4 februari 2020 heeft de artikelen 29 tot en met 39 van het Veldwetboek opgeheven). 

Wij voorzien onderstaand een overzicht te geven, in gewone taal, met telkens de verwijzing naar het toepasselijke artikel.

1. U mag afsluiten tot aan uw grens, niet erover — art. 3.61, § 1 BW

Elke eigenaar heeft het recht zijn perceel af te sluiten, maar dat recht loopt tot aan de perceelsgrens en niet verder (art. 3.61, § 1, eerste lid BW). Een afsluiting mag dus volledig op eigen terrein staan, tegen de grens aan, zonder dat de buur daarmee moet instemmen. Zodra de afsluiting op of over de grenslijn komt, hebt u wél het akkoord van de buur nodig: u neemt dan immers een stuk van zijn grond in. Datzelfde artikel verwijst voor de gemene afsluiting uitdrukkelijk door naar de titel over burenrelaties (art. 3.61, § 1, tweede lid BW).

Uiteraard blijft ook het publiekrecht spelen: art. 3.61, § 1 BW koppelt het afsluitingsrecht zelf aan de naleving van de wettelijke en reglementaire voorschriften. Stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften en gemeentelijke reglementen kunnen dus strengere eisen opleggen inzake hoogte, materiaal of inplanting.

(Vroeger: art. 30, laatste lid Veldwetboek — iedere andere afsluiting dan een levende haag mocht op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.)

2. Staat de afsluiting op de grens, dan is ze vermoedelijk gemeenschappelijk — art. 3.103 tot 3.105 BW

Mandeligheid is het recht van mede-eigendom op een afscheidende afsluiting, of het nu gaat om een muur, een haag, een gracht, een omheining of een afrastering (art. 3.103 BW). Elke gemene afsluiting wordt vermoed voor de helft aan elke buur toe te behoren (art. 3.104 BW).

Een afsluiting die langs of schrijlings op de perceelsgrens is opgericht, wordt vermoed gemeen te zijn, behoudens verkrijgende verjaring of andersluidende titel (art. 3.105, eerste lid BW). Staat niet vast dat de afsluiting schrijlings op de grens ligt, dan kan het vermoeden ook worden weerlegd door tekenen van niet-mandeligheid (art. 3.105, tweede en derde lid BW): een muur waarvan de top afhelt naar één zijde, een gracht waarvan de uitgegraven aarde aan één kant ligt, of een afsluiting rond één volledig omheind perceel.

Het praktische gevolg is belangrijk. Onderhouds- en grove herstellingen en de heropbouw van een gemene afsluiting vallen ten laste van beide mede-eigenaars naar verhouding van hun rechten (art. 3.112, eerste lid BW), en beheersdaden of beschikkingsdaden vereisen in beginsel de toestemming van beiden (art. 3.110, tweede lid BW). Wie niet wil bijdragen aan grove herstellingen of heropbouw, kan zijn recht van mandeligheid afstaan aan de andere mede-eigenaar, tenzij hij de afsluiting blijft gebruiken of de schade zelf veroorzaakte (art. 3.112, tweede lid BW).

(Vroeger: art. 32 Veldwetboek voor het vermoeden van gemeenheid van een haag, art. 33 Veldwetboek voor het gezamenlijk onderhoud en de afstand van mandeligheid.)

3. Uw buur kan verplicht worden mee te werken — art. 3.106 BW

Tussen twee percelen waarvan er minstens één bebouwd is, kan elke eigenaar van de andere vorderen dat hij meewerkt aan het oprichten van een gemene afsluiting, tenzij er al een private afsluiting langs de scheidingslijn staat (art. 3.106, eerste lid BW). De kosten worden gelijk verdeeld (art. 3.106, tweede lid BW).

Wie een muur wil die als steun voor een bouwwerk kan dienen, kan aan de buur opleggen dat de afsluiting bestaat uit een muur met een normale stevigheid, breedte en hoogte (art. 3.106, derde lid BW). Toont die buur echter aan dat hij er geen enkel nut bij heeft en er geen gebruik van zal maken, dan wordt de muur op uitsluitende kosten van de aanvrager gebouwd en blijft hij privatief. Enkel in dat geval mag de muur schrijlings over de perceelsgrens worden opgericht, zonder vergoeding voor de ingenomen strook grond (art. 3.106, derde lid BW).

Wie later toch wil aansluiten, kan de mandeligheid aankopen tegen de helft van de waarde van de afsluiting én van de onderliggende grond (art. 3.107 BW). Omgekeerd kan wie een privatieve afsluiting feitelijk in bezit neemt, gedwongen worden die mandeligheid aan te kopen (art. 3.108 BW).

4. Afstandsregels voor hagen, struiken en bomen — art. 3.133 BW

Voor beplantingen gelden vaste minimumafstanden vanaf de perceelsgrens (art. 3.133, tweede lid BW):

  • bomen van minstens twee meter hoog: twee meter, gerekend vanaf het midden van de voet van de boom;
    alle andere bomen, struiken en hagen: een halve meter.
  • Sinds 2021 telt dus enkel nog de werkelijke hoogte van de boom. Het vroegere en vaak betwiste onderscheid tussen hoogstammige en laagstammige bomen uit art. 35 Veldwetboek is verdwenen.
  • Er zijn uitzonderingen (art. 3.133, eerste lid BW): de afstandsregels gelden niet wanneer de buren hierover een overeenkomst hebben gesloten, wanneer de beplanting al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staat, of wanneer ze deel uitmaakt van een gemene afsluiting. Daarnaast geldt sinds de wet van 19 juni 2023 een uitzondering voor beplantingen op het openbaar domein.

Staat een beplanting te dicht bij de grens, dan kan de buur snoeiing of rooiing vragen; de rechter kan die vordering afwijzen als ze rechtsmisbruik uitmaakt en houdt daarbij rekening met alle omstandigheden, inclusief het algemeen belang (art. 3.133, derde lid BW). Zelf rooien of snoeien op andermans perceel mag nooit.

Tot slot een regel die in de praktijk veel discussies oplost (art. 3.133, vierde lid BW): tegen beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen kan de buur zich niet verzetten, ongeacht de afstand. Gaat het om een niet-gemene afsluiting, dan mag de eigenaar ervan die zelfs als steun voor zijn beplantingen gebruiken.

Voor overhangende takken en doorschietende wortels geldt een afzonderlijke regeling (art. 3.134 BW; vroeger art. 37 Veldwetboek).

5. Beplantingen van vóór 1 september 2021 — art. 37 wet 4 februari 2020

De nieuwe regels werken niet met terugwerkende kracht: boek 3 heeft een eerbiedigende werking (art. 37 van de wet van 4 februari 2020). Voor bomen, struiken en hagen die vóór 1 september 2021 werden aangeplant, blijft de oude regeling gelden: twee meter voor hoogstammige bomen en een halve meter voor andere bomen en levende hagen (art. 35 Veldwetboek), en een halve meter voor een levende haag die als afsluiting dient, tenzij een plaatselijk gebruik anders bepaalde (art. 30, vierde lid Veldwetboek). Bij oudere aanplantingen loont het dus om eerst na te gaan wanneer ze geplant zijn.

Twijfelt u over de juiste grens?

Neem dan contact met ons op.

De meeste discussies over afsluitingen en hagen beginnen niet bij de wet, maar bij onduidelijkheid over waar de perceelsgrens precies ligt. De perceelsgrenzen worden achtereenvolgens bepaald door verkrijgende verjaring, de authentieke afpalingsakte, de eigendomstitels en ten slotte de toestand van het bezit en andere feitelijke indiciën, waaronder de feitelijke afsluiting en de kadastrale documenten (art. 3.61, § 2 BW). Elke eigenaar kan zijn buur verplichten tot afpaling (art. 3.61, § 3 BW), en de kosten worden voor gelijke delen gedragen (art. 3.61, § 5 BW). Een afpaling door een beëdigd landmeter-expert legt die grens tegensprekelijk vast en voorkomt betwistingen achteraf. Neem gerust contact met ons op voor een opmeting of een afpaling.

 

Overzicht van de aangehaalde wetsartikelen
BELGISCHE Burgerlijk Wetboek, boek 3 "Goederen" (sinds 1 september 2021)

Art. 3.61, § 1 — Horizontale omvang van grondeigendom

Iedere eigenaar mag in overeenstemming met de wettelijke en reglementaire voorschriften zijn perceel afsluiten tot aan de grens ervan, zonder afbreuk te doen aan de rechten van derden.
De bepalingen inzake de gemene afsluiting worden uitgewerkt in titel 5 inzake burenrelaties.

Art. 3.61, § 2 — Bepaling van de perceelsgrenzen

De grenzen van grondeigendom worden in eerste instantie bepaald door verkrijgende verjaring. Bij gebreke hiervan, bepaalt de authentieke akte tot afpaling de perceelsgrens, behoudens later contract die deze wijzigt. Bij gebreke van afpaling, worden de perceelsgrenzen bepaald door de eigendomstitels. Bieden ook deze geen uitsluitsel, dan worden de perceelsgrenzen vastgelegd volgens de toestand van het bezit en de andere feitelijke indiciën, waaronder de feitelijke afsluiting en de kadastrale documenten.

Art. 3.103 — Definitie van mandeligheid

Mandeligheid is een recht van mede-eigendom van een afscheidende afsluiting, ongeacht of het gaat om een muur, haag, gracht, omheining, afrastering of enig ander materieel element.

Art. 3.104 — Omvang van de aandelen

Iedere gemene afsluiting wordt vermoed voor de helft in mede-eigendom toe te behoren aan elk van beide eigenaars, behoudens tegenbewijs.

Art. 3.105 — Bewijs van de mandeligheid

De afsluitingen die tot stand zijn gebracht langs of schrijlings op de perceelsgrens worden vermoed gemeen te zijn, behoudens verkrijgende verjaring of andersluidende titel.
Indien niet vaststaat dat de afsluiting zich schrijlings op de perceelsgrens bevindt, kan het vermoeden van mandeligheid ook worden tegengesproken door een teken van niet-mandeligheid.
De tekenen van niet-mandeligheid zijn, behoudens tegenbewijs, de volgende: een muur wordt vermoed toe te behoren aan de eigenaar van het perceel waarnaar de top van die muur afhelt of aan wiens zijde uit architecturale elementen de privatieve aard ervan blijkt; een gracht wordt geacht toe te behoren aan de eigenaar van het perceel aan wiens zijde de uitgegraven aarde zich bevindt; een afsluiting wordt vermoed toe te behoren aan de eigenaar van het afgesloten perceel wanneer één enkel perceel volledig is afgesloten.

Art. 3.106 — Gedwongen wijze van ontstaan

Tussen twee percelen waarvan minstens één is bebouwd, kan iedere eigenaar van de aangrenzende eigenaar vorderen dat hij meewerkt aan de oprichting van een gemene afsluiting, tenzij er zich al een private afsluiting bevindt langs de scheidslijn.
Indien een gemene afsluiting wordt opgericht, dragen de eigenaars in de kosten voor gelijke delen bij.
Indien één van de twee buren wenst dat een muur opgericht wordt die kan dienen als ondersteuning voor een bouwwerk, kan hij opleggen aan zijn nabuur dat de afsluiting bestaat uit een muur met een normale stevigheid, breedte en hoogte in functie van de bestemming van de goederen. Indien de aangezochte nabuur echter aantoont dat hij geen enkel nut heeft bij een dergelijke muur en er geen gebruik van zal maken, wordt de muur op uitsluitende kosten van de verzoeker opgericht en is deze privatief aan deze laatste. In dat geval kan de muur wel schrijlings over de perceelsgrens worden opgericht, zonder dat enige vergoeding verschuldigd is voor het ingenomen gedeelte van het perceel.

Art. 3.107 — Gedwongen verkoop van mandeligheid

Iedere eigenaar van een perceel dat aan een afsluiting grenst, kan deze geheel of gedeeltelijk gemeen maken door aan de eigenaar van de afsluiting ofwel de helft van de waarde ervan, ofwel de helft van de waarde van het deel van de afsluiting dat hij gemeen wenst te maken, samen met de helft van de waarde van de overeenkomstige onderliggende grond te betalen.

Art. 3.112, eerste en tweede lid — Verplichtingen van de mede-eigenaars en afstand

De herstellingen tot onderhoud en de grove herstellingen (…), evenals de heropbouw van een gemene afsluiting zijn ten laste van de mede-eigenaars, elk naar verhouding tot hun rechten, behalve indien zij uitsluitend aan één van hen zijn te wijten.
Behalve indien een mede-eigenaar de gemene afsluiting daadwerkelijk blijft gebruiken of de beschadigingen heeft veroorzaakt, kan hij zich bevrijden van de verplichting om bij te dragen aan de grove herstellingen of de heropbouw door zijn recht van mandeligheid af te staan aan de andere mede-eigenaar (…).

Art. 3.133 — Afstanden voor beplantingen

De in het eerste lid bedoelde afstand bedraagt voor bomen die minstens twee meter hoog zijn, twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de andere bomen, struiken en hagen een halve meter.
De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van de beplantingen die op een kortere afstand zijn aangebracht, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang.
De nabuur kan zich evenwel niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de eigenaar het recht deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken.

Het eerste lid bepaalt dat de afstandsregels niet gelden bij overeenkomst tussen partijen, bij beplantingen die al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan of bij beplantingen die deel uitmaken van een gemene afsluiting; de wet van 19 juni 2023 voegde daar een uitzondering voor het openbaar domein aan toe.

Veldwetboek (opgeheven sinds 1 september 2021, nog relevant voor oudere toestanden)

Art. 30, vierde en vijfde lid

Wanneer een levende haag tot afsluiting dient, moet zij, bij gebreke van een hiermee strijdig gebruik, op ten minste vijftig centimeter van de scheidingslijn staan.
Iedere andere afsluiting mag op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.

Art. 32

Een haag tussen twee erven wordt geacht gemeen te zijn, hetzij slechts een ervan afgesloten is of tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit.

Art. 33

Een gemene afsluiting moet op gemeenschappelijke kosten onderhouden worden; de nabuur kan zich aan die verplichting onttrekken door van de mandeligheid af te zien.

Art. 34, derde lid

De mede-eigenaar van een gemene haag mag die verwijderen tot aan de grens van zijn eigendom, onder verplichting om op die grens een muur te bouwen.

Art. 35, eerste lid

Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.

Art. 36

De nabuur kan de rooiing eisen van bomen, hagen, heesters en struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaalt.

Art. 37, eerste lid

Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.

Opheffings- en overgangsbepaling

Art. 31 van de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" heft in het Veldwetboek de artikelen 29 tot 34, 35, 36, 37, 38 en 39 op.
Art. 37 van dezelfde wet legt de eerbiedigende werking vast: de nieuwe regels gelden voor toestanden die dateren van na de inwerkingtreding op 1 september 2021.

Deze tekst is louter informatief en vormt geen juridisch advies. De vermelde wetgeving kan sinds publicatie gewijzigd zijn. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor het gebruik van deze informatie; voor advies op maat raden wij u aan contact op te nemen via onderstaand contact formulier.

Advies op maat nodig?
Contacteer ons!